hoe ontstond de Veluwe

 

De Veluwe is oud land. Oorspronkelijk stroomden brede rivieren in steeds veranderende beddingen vanuit het zuiden en oosten door Nederland naar de zee (Noordzee, Zuiderzee). Deze rivieren brachten veel zand en stenen mee, die hier achterbleven. Deze stenen zijn vaak afgerond en glad door slijtage in de rivier; men ziet ze als grind op de grond.

 

De Veluwe was een vlak toendra-achtig landschap, er groeiden vrijwel geen bomen. Er waren verschillende "ijstijden" d.w.z. dat perioden van "permafrost" werden afgewisseld met lange perioden waarin de Veluwe bedekt was met ijs dat vanuit het noorden en noordoosten ons land binnengeschoven was. Soms was zo'n ijslaag wel 200 m. dik. Deze enorme ijsmassa's stuwden de bodem op tot wel 200 m. hoogte (nu nog max 60 m.). Ook brachten gletschers veel leem en gesteente mee. Dit gesteente is veel ruwer en bonter van kleur. In die tijd vormde zich het IJsseldal.

 

Toen het ijs ontdooide ontstonden grote gebieden van halfbevroren drassige grond, de stenen zakten dieper weg en de toppen van de heuvels gleden af vooral in zuidelijke en oostelijke richting. Er ontstonden erosiedalen waarin beekjes stroomden met aan het einde zogenaamde puinwaaiers. De erosie werd door de veelal NW wind versterkt. De Veluwe ging stuiven. Er ontstonden heuvelruggen van zand, vaak in NO richting. De Renderklippen zijn hier een goed voorbeeld van.

 

Toen het klimaat zachter werd ontstonden uitgebreide bossen (dennen en berken) die vervolgens door de vroege bewoners in de IJzertijd werden gebruikt om het ijzer uit de oerbanken te winnen. Belangrijk waren de bossen ook als brandstof en bouwmateriaal. Dit kappen en branden gebeurde onbeperkt en zo ontstonden kale zandvlakten en heidevelden. In die tijd werden soms hele nederzettingen door het stuivende zand bedekt.

 

Om het gewas en de buurtschap te beschermen tegen onderstuiven, widvraat en tegen dievenbendes die plunderend rondtrokken, werden boswallen aangelegd. Ook werd het vee hiermee in de "weide" gehouden. Restanten zijn nog terug te vinden in De Dellen, Tongeren en in buurtschap Norel. Men noemde de Veluwe toen een "woest en bijster" land (Woesterberg, Bijsterbos). 

 

Er werden veel schapen gehouden die overdag op de heide gehoed werden en die langs de schapendriften teruggedreven werden naar hun kooien. Dit waren potstallen, die pas uitgemest werden als de dieren geen ruimte meer hadden. De Enken werden met de mest, vermengd met plaggen en aarde, opgehoogd, wat tegenwoordig nog duidelijk zichtbaar is.Door dit afplaggen en begrazen van de heide ontstonden weer zandverstuivingen die nu door de vroege ontginners tot bossen met grove dennen, met hier en daar wat loofhout, werden omgevormd.

 

 Vanuit Tongeren kon men over de heide tot Harderwijk kijken. Van die eerste beplantingen is nu ook bijna alles alweer vervangen door een tweede en derde generatie hout. Hier en daar staan op erfafscheidingen en bij oude boerderijen nog oude eiken en beuken uit die tijd.Voor het ontginnen van de woeste gronden werden grote ploegen gebruikt, die door wel zes ossen werden voortgezeuld. Het restaurant "de Ossenstal" dankt zijn naam eraan. Op die plaats stond vroeger de oude ossenstal.

Veel weidegrond waar u langs zult komen is vanaf 1880 in cultuur gebracht. In de bermen en bosjes in de omgeving zijn dan ook nog wel planten uit de eerste schrale ontginningstijden terug te vinden. De bodem, 20 cm. onder het maaiveld, is puur geel zand. Bij droogte stuiven de wegen snel en bij regen wordt de bovenlaag vlug doorweekt.